JW
portfolio · lees mee

Schiereiland door Joost Wentink

Ontmoeting in de metro

Schiereiland · hoofdstuk 1

Hoe mooi zou het zijn geweest als Rob’s ontdekking dat Frank Brands tegenover hem zat in lijn 54 precies was samengevallen met het aanspringen van de verlichting en het schudden van de wagon. Eerst abrupte duisternis, het gillen van de wielen die door een wissel geperst werden als stalen varkens in het slachthuis, dan de tl-bak die weer aan stuitert en daar was Frank Brands, in pak en ontspannen als altijd met publiek.

Het Amsterdamse openbaar vervoer was echter te zakelijk, te goed onderhouden voor dramatische manifestaties. De metro zweefde over de rails en de verlichting werkte onverstoorbaar. Rob was in gedachten geweest en Frank was ongetwijfeld bij station Weesperplein ingestapt. Het zou nog mooier zijn als hij bij de volgende wissel weer verdwenen was, een geestverschijning.

Frank zat een gratis krant te lezen. Al was het vijftien jaar geleden, Rob wist dat Frank niet echt las. Het papier was een schild tegen mensen die hem wilden aanklampen voor een praatje of erger: een foto. Wat deed hij hier überhaupt? Het openbaar vervoer was iets waar Frank zo min mogelijk kwam. Negeerde hij hem of was hij werkelijk onwetend dat de ooit beste vriend van zijn zoon tegenover hem zat? Wanneer je lang genoeg beroemd bent, word je vanzelf immuun voor gestaar. Rob was niet de enige die naar hem keek, dus voelde hij zich vrij om op te merken dat Frank ouder was geworden en dunner. Op de achterpagina van de krant stond een foto van een blonde meid in spijkerbroek en een witte blouse met knoopjes los. Ze keek met een zelfverzekerde blik de camera in. Onder haar de tekst: Op mijn dertigste ben ik miljonair. Pollie was ondertussen eenendertig en wie weet miljonair of getrouwd met een. Bij de gedachte aan de dochter van Frank trok er een lentebriesje langs de haren op zijn ballen. Rob schudde het snel uit zijn hoofd voor koorts en zelfhaat de overhand kregen. De eerste keer dat hij Frank Brands de hand schudde, had hij zich verbaasd over diens joggingbroek en T-shirt. Hij kende hem alleen van televisie. Daarna hadden ze ontelbare malen tegenover elkaar gezeten aan de eettafel van hun huis in Bergen. Hij had bij Frank en Mattie gelogeerd, zelfs een aantal keer terwijl Koert er niet was. Hij was met hen op vakantie geweest naar Spanje. Frank had zijn kots opgeruimd de eerste keer dat hij samen met Koert dronken thuisgekomen was. Het was ook Frank geweest die hem had gebeld om hem te vertellen dat de familie geen contact meer met hem wenste en dat hij Pollie uit zijn hoofd moest zetten. Hoe had hij het ook alweer gezegd? (Alsof hij dit niet meer wist. Voor wie ontkende hij dit nu? Niet dat Frank aan de overkant van het gangpad zijn gedachten kon lezen.)

‘Ik weet dat je geen slechte jongen bent, maar je moet Pollie nu echt met rust laten, anders gaan we de politie bellen en dat wil toch niemand? Straks doe je iets waar je later spijt van krijgt.’

Ondanks dat hij blij was dat het woord ‘stalking’ niet was gevallen, zwol zijn keel op en werd zijn luchtpijp dichtgeknepen. Zijn ‘het spijt me’ had geklonken alsof hij tegen een muur lag, onderuitgezakt met een paar kogels in zijn borst. Schoten die voor zijn beste vriend waren bedoeld en Rob die zich in de baan van de kogels had geworpen. Die vriend zat nu bij hem en hield zijn hand vast. ‘Het spijt me.’ Hij zou bloed ophoesten en zijn ogen sluiten.

‘Mij ook’, antwoordde Frank en dat was de laatste keer geweest dat iemand van de familie Brands tegen hem gesproken had.

Het was goed zo. Frank had zijn krant en Rob keek uit het raam. Een gesprek waarbij er door een mijnenveld vol te vermijden onderwerpen gemanoeuvreerd diende te worden, terwijl een halve metrowagon meeluisterde wat Frank Brands in het wild te zeggen had, was voor niemand leuk. Nou ja, waarschijnlijk voor die halve wagon. Hij zou bij de Wibautstraat uitstappen. Staand op het platform zou hij omkijken en weten of Frank hem echt had genegeerd.

Frank sloeg een bladzijde om, zijn ogen gleden door de metro en daalden toen weer af naar de krant. Er waren hier vast heel veel mensen die met Frank zouden willen praten. Rob was de enige die niet door Frank kon worden afgewimpeld met een professionele glimlach. Een meisje met een gebreid paars mutsje keek even naar hem en toen snel over haar boek naar Frank. Waarom eigenlijk doen wat Frank wilde? Dat had hij al heel lang gedaan. Waar was hij bang voor? Ongemak? Te horen krijgen dat Pollie heel gelukkig getrouwd was? De te lange stilte die daarop zou volgen kon er ook nog wel bij. ‘Hallo Frank’, probeerde hij te zeggen maar er zat iets in zijn keel. Klonken zijn eerste woorden als zijn laatste vijftien jaar geleden? Het meisje met haar boek had het wel gehoord en keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Nu kon hij niet meer terug. Dus zei hij het nog een keer. Nu had de hele wagon het gehoord en Frank zelf ook. Die keek hem aan en een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Rob jongen, wel heb ik ooit, ik had je helemaal niet gezien. Zat je daar al lang?’ Het klonk oprecht maar dat zei bij Frank niet zo veel. Hij was immers acteur. Koert had hem verteld dat zijn vader dat het grootste nadeel van zijn vak vond. Nog erger dan het eeuwig herkend worden of het altijd herinnerd worden aan die ene rol in De Klant. Mensen namen hem niet serieus en dachten altijd maar dat hij aan het acteren was. Nog voor dat hij iets zei, moest Rob aan de favoriete uitspraak van Koert denken: ‘Het grootste probleem van de werkelijkheid is dat het zo verschrikkelijk saai is.’ Rob had het bedacht, Koert had er leven in geblazen en was er mee aan de haal gegaan.

Ja Rob woonde nog steeds in Amsterdam, al was hij net verhuisd. Naar de Houthavens bij de Silodam. Je weet wel, oud pakhuis. Frank knikte en grijnsde. Wat goed om hem te zien. Wat voor werk deed Rob nu? Hij werkte nu voor zichzelf en kwam net uit een gesprek met een nieuwe opdrachtgever. Alleen praten over werk was zo saai. Ja Frank en Mattie woonden nog steeds in Bergen. In de schuur had hij een theater gebouwd.

Frank die in zijn overall soepel planken over een zaagtafel liet glijden, zag Rob niet voor zich. Gebouwd betekende laten bouwen.

De vaart in het gesprek houden was essentieel. Wanneer het tempo eruit ging, zouden ze worden ingehaald door het verleden. Dus ja, het ging fantastisch met Rob.

Toen Frank over Koert begon, wilde Rob eigenlijk opstaan en de deur uitlopen, weer werkte de metro niet mee. Frank en Mattie hadden al een tijdje niets van Koert gehoord, hij zat in het buitenland ver buiten de bewoonde wereld. Zoiets dacht Rob al.

Frank stond op en ging naast hem zitten. Al was hij helemaal grijs, hij rook nog hetzelfde en de rimpels in zijn gezicht stonden hem goed.

Hoezo dacht hij dat al? Had hij onlangs nog iets van Koert gehoord? Rob wilde niets over zijn facebook-gegluur zeggen. Daarbij gold dat ook niet als contact. ‘Koert had het hier vroeger vaak over. Indonesië zeker?’ Frank legde de krant naast hem neer en keek hem recht aan. ‘Dat klopt, hoe weet je dat?’ ‘Wat ik al zeg. Omdat Koert het vaak over Indonesië had. Daar zijn jullie toch geweest?’ Hij wilde eigenlijk zeggen, daar is Koert toch verwekt? Voor die vertrouwelijkheid hadden ze elkaar te lang niet gezien. ‘Ja dat is zo. Natuurlijk. Wanneer heb je voor het laatst van hem gehoord?’ Er zat lichte wanhoop in de manier waarop hij zijn hand op Rob’s arm legde. ‘Ook vijftien jaar niet.’ Het benoemen van het verleden werkte als een remparachute: ze waren waar ze niet moesten zijn. Er viel een stilte. Basisfout, zeker voor zo’n goede vermijder als hij. Wanneer hij in de stroming van een gesprek de mogelijkheid zag dat het zich zou aftakken in de richting van een onderwerp waarover hij het niet wilde hebben, meestal zichzelf en zijn mislukte leven, dan was hij er handig in om vóór dat het überhaupt in die buurt kwam al een dijkje te bouwen of snel een kanaaltje te graven in een heel andere richting. Het te vermijden onderwerp was ook bij Frank bekend en dat maakte het niet makkelijker. Niet dat Rob dacht dat Frank zin had om het over Pollie te hebben. Maar alleen al het feit dat ze aan hetzelfde dachten, maakte haar aanwezig. Hier diende een enorme stuwdam opgeworpen te worden. Die dam bestond uit geraaskal over zijn succes, over de vloer die hij in zijn huis had liggen, een anekdote over gedoe in een skilift. Zoals altijd stapelden de leugens zich steeds makkelijker op.

Hij deed zo zijn best dat hij het volgende station bijna miste en pas veel te laat zag dat Frank naar hem luisterde met een schuin hoofd, alsof zijn demente moeder hem vroeg waarom zijn vader maar niet terugkwam van de zaak.

Hij greep zijn tas, verontschuldigde zich, schudde half de hand van Frank en glipte de wagon uit, dook het perron op en koos de eerste roltrap die hij zag. Hij hoorde Frank roepen, die was hem achterna gekomen. Hij zette het op een rennen, omhoog, greep naar zijn chipkaart en checkte uit. Boven aan de trap werd hij verblind door het licht van de buitenwereld. In het gebouw naast de metro-uitgang zat een supermarkt. Snelwandelend alsof hij diarree probeerde terug te drukken, stak hij de stoep over en schoot de winkel binnen. Verdekt opgesteld achter een paar manden op de broodafdeling keek hij door het raam of Frank hem was gevolgd. Hij probeerde zijn ademhaling te kalmeren en toen er na een paar minuten nog geen Frank was verschenen, begon het tot hem door te dringen dat hij hem nu misschien wel nooit meer zou zien. Dit was zijn kans op verlossing geweest en wat had hij gedaan? Liegen en wegrennen. Hij wilde terug de metro in. Frank zijn excuses maken, voor alles, en dat Frank hem zou vergeven en hem zou uitnodigen bij hen thuis voor koffie en appeltaart met slagroom, zelf gemaakt. En dat Pollie daar was. Hij wilde zo veel. Nu hij toch in de supermarkt was, kon hij beter gewoon boodschappen doen.

Vriendschap en de kaasfabriek

Schiereiland · hoofdstuk 3

Tegen beter weten in wilde hij de laatste maanden in zijn ouderlijk huis bewijzen dat hij zijn afkomst niet zou verloochenen. Hij ging dan wel studeren in de grote stad, maar meneer moest niet denken dat… Echt werk betekende handen uit de mouwen, schouders eronder. Dus toen ze aankwamen met een vakantiebaan in de kaasfabriek, zei hij volmondig ja. De kaasfabriek, waar het halve dorp werkte en die afhankelijk van de windrichting zware wolken zure lucht tussen de huizen verspreidde. Boete moest hij doen, voor hij zich definitief kon ontworstelen aan zijn jeugd. Dus fietste hij de volgende dag door de weilanden naar het complex.

De manager, meneer Schouten, haalde hem op bij de receptie en ging hem door de fabriek voor naar zijn kantoor. De man leek hier nog minder op zijn plek dan Rob. Hij was reusachtig. Met zijn blokjesblouse en baard deed hij Rob denken aan een Canadese houthakker. Toen hij zijn armen spreidde om de omvang van de eerste hal aan te geven, hapte Rob ongewild naar adem. Jezus boven Rio. Hoe was deze man hier terechtgekomen? Hij was natuurlijk als sterke man op de kermis gescout door het World Wide Wrestling circuit, alwaar hij als ‘The Oak’ of als ‘Timber’ bekend stond. Opgelicht door vrouwen en uitgeperst door managers was hij aan lagerwal geraakt en via een sekte, een gokverslaving en jaren van zwerven in de kaassector tot rust gekomen. Jammer genoeg vertelde hij altijd hier gewoond te hebben en dat hij elke zomer naar zijn stacaravan in Katwijk ging. Toch bleef Rob hopen dat hij opeens een natte fluim pruimtabak in de hoek zou spugen. De hal werd gevuld door grote ketels en machines die door een lopende band aan elkaar verbonden waren. Kleurloze mannen met haarnetjes keken op verouderde computerschermen: het Russische ruimtevaartprogramma in de jaren tachtig. Al lopend vertelde Schouten wat Rob’s taak zou zijn. ‘Ik ga eerlijk tegen je zijn. Als alles normaal loopt, hebben we je niet nodig.’ Rob moest ergens langs de band staan waar soms een defect was en kijken of de kazen wel recht lagen. Lag er een niet recht, dan diende hij die op z’n plek te duwen. Het defect verhelpen was complex en duur en daarvoor moest de fabriek stil worden gelegd. Dat zou gebeuren bij de verbouwing volgend jaar. Tot die tijd was het inhuren van studentjes een prima oplossing. Oh ja, voordat ze verder konden praten in het kantoor, moest de manager daar nog een gesprek afronden. Hij kon plaats nemen in het halletje. Schouten stapte zijn kantoor binnen en sloot de deur achter zich. Op de stoel naast Rob lagen een paar mappen van de leesportefeuille. Hij bladerde voor de vorm naar de blote borsten van Bianca. Mijn vader is juist trots op me.

Dus de kazenfabriek was complexer dan hij. Hij was slechts een noodoplossing, een stukje ducttape. Hij stelde zich voor hoe hij over een paar dagen staccato zou meebewegen in het ritme van de machine. Hoe hij met zijn collega’s in een rij schokkerig naar de kantine zou schuifelen om daar witte boterhammen met salami in zijn gezicht te proppen.

Achter de deur van het kantoor lachte iemand. Niet Schouten, die kon niet anders dan een lach hebben die onder de grond begon. Deze lach was hooghartig als een baron die vanuit zijn koets een pauper ziet uitglijden in de modder.

De deurklink werd aan de binnenkant vastgepakt. Rob ging vast staan en haalde een hand door zijn haar. De klink ging naar beneden, de deur zwenkte open en toen op een spleet na weer dicht.

‘Oh nee meneer Schouten, daar lach ik niet om. Nee ik dacht even… Nogmaals mijn excuses.’ Nu stapte er een jongen naar buiten, hij was lang met een bos blonde krullen en stoppels op zijn kin. In plaats van aan de kant te gaan om Rob doorgang te geven naar het kantoor, deed hij de deur achter zich dicht en bekeek Rob van top tot teen. ‘Ah, nieuw vlees voor in de molen.’ Rob kreeg geen tijd om naar adem te happen en een reactie te formuleren. ‘Je wordt hier een robot, echt waar. Zeg maar dag tegen je…’ Zijn ogen draaiden naar zijn gefronste wenkbrauwen. Hij zwaaide met zijn handen alsof hij de woorden naar zich toe wilde wapperen. ‘Autonomie?’, zei Rob automatisch. ‘Autonomie, precies ja.’ De jongen leek zelf ook geschrokken van zijn eigen aplomb. Zachter ging hij verder. ‘Wegwezen nu het nog kan. Niet naar die pelsjager uit Nebraska luisteren. Ik werd er zo gestoord van dat ik de lopende band heb gesaboteerd.’ ‘Een verzetsdaad. Rage against the machine.’ Rob was verbazingwekkend tevreden over zijn repliek, alsof zijn gedachten een snellere weg naar zijn spraakcentrum hadden gevonden, de spitsstrook naar zijn stembanden. ‘Je hebt volkomen gelijk.’ Met drama wees hij naar het einde van de gang. ‘Kom mee, als je wilt leven.’ Ze keken elkaar aan en stokten, geschrokken van de onverwachte verwantschap. Het moment duurde lang, zo lang dat Rob bijna blij was toen meneer Schouten zijn hoofd om de deur stak. ‘Jullie vinden jezelf vast heel grappig.’ Hij knikte naar de jongen. ‘Jij, wegwezen hier.’ De jongen negeerde Schouten en stak zijn hand naar Rob uit, die hem vastpakte als was het de plotselinge gratie na jaren in de dodencel.

‘Koert Brands.’

‘Rob Kruis.’

Zo was de voormalig ‘sterkste man van New Foundland’ getuige van de geboorte van een echte vriendschap. Volkomen vanzelfsprekend volgde Rob Koert naar buiten. Daar sloeg Koert zijn arm om Rob’s schouder.

‘Ik moet nu gaan, maar ik beloof je dat we elkaar heel snel weer zien vriend. Dit is het begin van een roerige tijd. Er is een storm op komst.’ Hij stapte met stevige tred weg, draaide zich nog een keer om, balde zijn vuisten naar Rob en verdween achter het fietsenhok om meteen weer achteruitlopend op te duiken. Op één been staand wees hij naar Rob.

‘Jij gaat studeren, waar ga je studeren?’

Rob gaf antwoord.

‘Natuurlijk, het is voorbestemd.’

Voordat Rob iets kon zeggen, dook Koert alsof hij door iemand getrokken werd achter het golfplatenhok en was weg. Rob bleef achter op de parkeerplaats. Hij draaide zich om naar de fabriek, die er veel minder hopeloos uitzag en liep naar zijn fiets. Weg hier. De volgende ochtend vertrok hij vol goede moed naar de fabriek en de ochtenden daarop ook. Halverwege sloeg hij linksaf de andere kant op en elke avond tegen zessen kwam hij weer terug. ‘Hoe was het op je werk?’ ‘Prima, Pascal had geen griep meer dus hij was er weer, dat scheelt en wel zo gezellig.’ Het kon niet anders dan dat deze leugen snel zou uitkomen. Zo lang dat niet gebeurde, fietste hij door de polder en speelde hij de herinnering aan de ontmoeting met Koert eindeloos af. De glans ging er niet vanaf, de kleuren van de slijtplekken op zijn spijkerbroek en de gretige blik in zijn ogen bleven even helder. Mijmeren over Koert was zijn zomervakantie. Het hield hem op de been in deze anderhalve maand waarin hij constant met zijn leegte en leugenachtigheid geconfronteerd werd en aan het einde minder geld had dan aan het begin. Soms sloeg hij rechtsaf en fietste de duinen in om dan de volgende dag toch weer tegen de wind in door de polder te rijden. De uitzichtloze weilanden en de grijze asfaltwegen paste beter bij zijn situatie. Linksom of rechtsom, boete moest hij doen. Terwijl zijn leeftijdsgenoten gingen zwemmen in het meer en whisky uit de fles dronken, stapte hij nog voor het licht werd met zijn broodtrommel onder de snelbinders op de fiets. ‘Wij zijn naar Gran Canaria geweest en vooral het diepzee duiken was leuk, veel minder eng dan ik dacht. Echt heel mooi en rustig daarbeneden.’ ’Ik ben eerst drie weken met mijn ouders in Italië geweest… nee gewoon met het vliegtuig. En daarna ook nog twee weken op Ibiza met wat vrienden. En jij? Wat heb jij gedaan met de zomer, wat heb jij gedaan Rob Kruis, beseffende dat ons een beperkte tijd op deze planeet gegeven is? Nou?’

‘Ik? Ik heb gekeken of kazen recht lagen.’ Dat zou al een enorm tragisch antwoord zijn geweest. Laat staan hoe hij zijn dagen nu sleet.

Op een zaterdag werd hij naar de sigarenboer gestuurd om het Lotto-formulier in te leveren. Terwijl hij stond te wachten, viel zijn oog op het schap met tijdschriften. Op een van de bladen stond in een bovenhoek van de cover in roze letters: Frank Brands weer gelukkig met gezin? Bij het artikel was een grofkorrelige foto geplaatst van het gezin Brands op hun oprit, net terug van boodschappen doen. Het was onmiskenbaar Koert die een volle plastic tas met tegenzin uit een witte klassieke auto tilde.

Een golf van triomf rees in hem op. Daar was Koert, hij bestond echt en hij woonde in een huis en had ook een hekel aan boodschappen doen. En, hij had een zus dus. Zij was een stuk jonger, had lang blond haar en een symmetrisch gezicht met een puntige neus. Ze zeulde een sixpack literflessen Spa rood naar de voordeur die haar moeder voor haar openhield. Zij was thuisgebleven, vast en zeker om de rollade die ze de dag ervoor bij de lokale slager had gekocht in de oven te zetten en ondertussen de wijn op kamertemperatuur te laten komen. Op de volgende pagina stond een foto van Frank gearmd met zijn vrouw Mattie op een feestje. Ze was zeker net zo oud als hij en zag er gedistingeerd uit.

Frank bleek in zijn periode in Amerika meerdere affaires eropna te hebben gehouden. Nu richtte hij zich weer helemaal op zijn gezin en zijn Mattie. Had ze hem vergeven? Ze bleek wel haar politieke carrière on hold te hebben gezet om het gezin te redden. Of had dat een andere reden? Hij draaide de pagina weer om naar de foto van Koert en zijn zus. Die schoenen had Koert ook bij hun ontmoeting aangehad. De foto was duidelijk nog niet zo lang geleden geschoten. Wat voor een merk auto was dat? Zijn zus had steil haar terwijl Koerts krullen op de foto nog wilder waren dan in zijn herinnering. Deze foto moest mee naar huis en korrel voor korrel geanalyseerd worden. Het blad was vijf vijftig, dat had hij niet. In de film zou hij nu om zich heen kijken of de verkoper oplette en dan in een vlotte beweging de pagina eruit scheuren, het geluid maskerend met een kuch, opvouwen, in zijn binnenzak steken en nonchalant weglopen. In de realiteit zag de verkoper hem de pagina schuin afscheuren en rende Rob met de helft van de foto de winkel uit, bijna onder een auto. Twee straten verder durfde hij te stoppen om te ontdekken dat hij een stukje van Koerts been had en het bovenlichaam en gezicht van zijn zus. Aan de andere kant stond een deel van een vrouw op een traplift. Mijn beste jaren liggen… Een paar dagen later hoorde hij op een avond onderweg naar zijn kamer uit de woonkamer de naam Brands klinken. De televisie stond aan, niemand die er naar keek. Een dame met rood glanzend haar vertelde dat Frank Brands die avond in een film te zien was. Deze film was van voor zijn roemruchte tijd in Amerika en ging over de verwikkelingen in een kleine gemeenschap en hoe loyaliteit en de waarheid altijd komen bovendrijven.

Rob bleef bevroren staan in de houding waarin hij was binnengestapt.

In de openingsscène was een volle kerk psalmen aan het zingen. Er werd op een gezin ingezoomd, kinderen, moeder en als laatste de vader die guitig knipoogde naar zijn vrouw. Frank Brands was hier een stuk jonger dan in het blad. Rob ging op zijn knieën voor de televisie zitten en drukte zijn gezicht tegen de beeldbuis. Vader Brands had dezelfde sexy grijns als zijn zoon. Die zoon keek in de kerkbanken heel serieus en was moeilijk te herkennen. Zijn zus had op de foto veel knapper geleken. Ze had ook haar haar geverfd. Of was juist dit haar natuurlijk kleur? Of had Koert nóg een zus? Of, was dit helemaal niet het gezin Brands omdat het een film was, jij ontzettende oelewapper.

De opwinding was er niet minder om. In een opwelling zette hij de tv uit en liep de straat op, alsof hij verwachtte dat Koert en zijn vader daar in hun auto zouden komen langsrijden. Ah, daar ben je. Het miezerde, het licht van de lantarenpalen weerkaatste in de natte straat. Hier was niets voor hem. Terug naar binnen, televisie weer aan.

De hoofdrolspeler, Frank dus, werd beschuldigd van het verwekken van een kind bij een jaloerse vrouw. Of zijn vrouw was jaloers op haar dochter of zoiets. Rob was te onrustig om zich te verdiepen in het verhaal. Elke paar minuten stond hij op om naar het toilet of de keuken te gaan en daar niet te weten wat hij kwam doen. Vanaf dat moment zapte hij elke avond langs de kanalen op zoek naar Nederlandse films. Hij vond er een paar, allemaal met slecht geluid en zonder Frank Brands. In de bibliotheek vond hij een film met Frank Brands op de hoes, zijn haar zat in de war en hij keek geestdriftig naar iets. Het was een oorlogsfilm waarin hij een Duitser die tot inkeer kwam speelde. De rest van de zomer bleef Rob speuren naar meer informatie. Het bleef hier echter bij en dat was ook meer dan genoeg voor weken fantaseermateriaal.

Spierballierollie met Pollie

Schiereiland · hoofdstuk 40

Het weekend aten ze met z’n allen in de tuin. Het woord barbecue werd niet in de mond genomen. Frank noemde het om Mattie te plagen wel eens de braai, iets wat hij had opgepikt bij opnames in Zuid-Afrika. Mattie had het over eten in de tuin en als het niet anders kon, met lichte tegenzin over de grill. De hele week had Rob een smeulende bal in zijn maag, het gevoel van onafwendbaar onheil. De blik die Pollie hem over tafel had geworpen, domineerde al dagen zijn gefantaseer over haar. Ze had hem doorzien en vanaf nu keek ze mee. Invloed op de frequentie en intensiteit van zijn gemasturbeer had het echter niet. Het kreeg er iets fatalistisch van. Alles zou uitkomen. De teleurstelling over hoe hij misbruik had gemaakt van hun ruimhartigheid zou zijn ziel splijten. In een zwart gat zou hij zich oprollen en vergeten worden. Toch had hij niet getwijfeld of hij wel langs moest gaan. Elke kans om bij hen te zijn diende benut te worden.

Ze waren al achter het huis. Frank zat midden in een verhaal dus de begroeting was minimaal, terloops bijna. Hoe achtelozer, hoe normaler, hoe beter. Frank vertelde over hoe hij een gebakken ei moest spelen op de academie. Mattie vond dat altijd weer prachtig en luisterde terwijl ze prei sneed.

Koert sloop achter in de tuin tussen de bomen. Hij probeerde vogels neer te schieten met een gifgroen en rood waterpistool, ongetwijfeld met rollende ogen gevlucht voor zijn vaders verhaal. Pollie hing in een stoel met een boek en gaf hem een plichtmatige glimlach. Alles rustig aan het westelijk front. Rob liep door richting Koert om te verifiëren of die ook normaal deed. Hij kreeg meteen een pistool op zich gericht. Rob negeerde de straal water en vroeg wat ze vanavond zouden gaan doen, weer het dorp in?

‘Ja natuurlijk, maar eerst moet ik een prooi schieten. Nee, jij telt niet, jij blijft als een angstig konijntje staan. Mijn zus daarentegen…’ Koert begon een omtrekkende beweging te maken. Rob voelde er niets voor om Pollie op wat voor manier dan ook tegen zich in het harnas te jagen. Hij slenterde er een beetje achteraan. Koert spoot een straal over Pollie en rende weg. Het was het volkomen kinderachtig, maar op deze lome zomeravond welkom. Pollie gooide haar boek neer en zette de achtervolging in. Halverwege de tuin had ze Koert ingehaald. Net toen ze het pistool wilde afpakken, wierp hij het naar Rob, die het in een reflex ving. Nu was hij opeens medeplichtig. Pollie stormde op hem af. Hij wilde haar het plastic ding overhandigen zodat zij haar broer ermee zou kunnen beschieten. Koert was ondertussen vrijgelopen en riep: ‘Hier, hier, hier!’, met zijn handen klaar om het pistool op te vangen. Rob wierp het met een krachtig worp naar Koert. Hij trof Pollie midden in haar gezicht. Het geluid waarmee het haar raakte was genoeg om te weten dat het pijn deed. Ze greep naar haar neus en vloekte hartgrondig. Meteen was het spel gestopt en Rob liep naar haar toe. Pollie bekeek haar hand en veegde bloed af aan haar broek en daarna aan het shirt van Rob. ‘Lekker dan’, zei ze. ‘Bloedneus door een waterpistool, hoe kinderachtig zijn jullie eigenlijk?’ ‘Kinderachtig? Kinderachtig? Rob gooit met speelgoed, ik deed niks’, riep Koert uit. Ze veegde naar handen nog een keer af aan het shirt van Rob. Er kon een klein grinnikje vanaf. ‘Sorry, sorry, dat was heel onhandig’, zei Rob. ‘Onhandig? Onhandig? Kinderachtig zul je bedoelen.’ ‘Ik zeg spierballenrollen’, wierp Koert ertussen. Pollie lachte en gromde een beetje. Koert stelde dat vroeger als iemand een ander tijdens het spelen pijn deed, die ander genoegdoening mocht halen door te spierballenrollen. Spierballenrollen, iets waarvan Rob helemaal vergeten was dat het bestond. Iemand op zijn rug werken en dan je knieën op de bicepsen van het slachtoffer drukken en rollen. Buitengewoon grappig en buitengewoon pijnlijk. Pollie leek het zich ook nog te herinneren, maar maakte geen aanstalten. Koert liet er geen gras over groeien en tackelde Rob vanachter. Pollie stond naast en boven hem en keek boos of gespeeld boos. Hij kon makkelijk opstaan maar bleef liggen. Ze veegde haar neus af en zei: ‘Spierballenrollen.’

Rob spreidde gewillig zijn armen. Ze zakte door haar knieën en plaatste die op zijn bovenarmen. Op dat moment werd Koert geroepen door zijn moeder, telefoon.

‘Oh shit, ja’, Koert sprintte weg.

Rob lag op de grond, in het gras dat hoog en zacht was. Niemand kon hen zien hierachter in de tuin. Het gezicht van Pollie was bebloed en haar blik leek ergens tussen boos en guitig in. Hij wilde lachen. Er gleed een schaduw over haar gezicht. Ze drukte haar knieën in zijn spierballen. Het deed meer pijn dan hij verwacht had. Ze rolde nog een keer. Hij wilde zeggen dat het zo genoeg was, dat het hem speet en dat hij een worst voor haar zou roosteren. De gulp van haar spijkerbroek raakte zijn neus, ze rolde nog een keer en nu drukte de gulp en haar kruis tegen zijn gezicht. Hij snakt naar adem. Een geur bereikte zijn neus, een geur die hij in vervlogen vorm al te goed kende en die nu hier in één keer zijn mond droog trok en al het bloed naar zijn pik perste. Nog nooit was die met zo’n kracht in paraatheid geschoten. Een feesttoeter van vlees, het gefluit kwam uit zijn mond als een gesmoorde kreun. Nadenken bestond niet meer.

Ze rolde terug en keek hem aan, er was iets in haar ademhaling veranderd. Haar knieën drukte nog harder, de pijn was genoeg om hem naar het hier en nu te halen. Haar kruis hing boven zijn gezicht. ‘Jij bent op mijn kamer geweest.’ Haar stem was minder vastberaden dan de manier waarop ze hem tegen de grond drukte. ‘Je bent op mijn kamer geweest, geef het maar toe.’ Ze klonk hees. Pijn, paniek en geilheid vochten om aandacht. Hij probeerde zich onder haar uit te wringen. Ze drukte haar kruis verder tegen zijn gezicht en zijn wereld werd heel klein. Hij kuste de spijkerstof en de rits voor zijn mond. Ze lachte schor en drukte nog harder. Deze keer klonk haar stem veel dwingender. ‘Je bent in mijn kamer geweest en hebt lopen neuzen. Geef het toe.’ Hij knikte en probeerde te zeggen dat het waar was, maar hij kreeg bijna geen lucht. ‘Wat zei je? Ik versta je niet.’ Ze rolde haar knieën hard in zijn bovenarmen, maar gaf hem wat ademruimte. ‘Ja’, kreunde hij. ‘Ja, wat?’ ‘Ja, ja.’ Verder kwam hij niet. ‘Je bedoelt, ja ik heb in je kamer lopen neuzen.’ Haar stem echode in zijn lege hoofd. ‘Ja ik heb lopen neuzen in je kamer.’ Haar gezicht was rood en haar mond stond open. De geur werd sterker. ’Wat heb je daar gevonden?’ Ze drukte weer harder. Ondanks alles durfde hij niet. Maar zij wel.

‘Wat heb je gevonden? Je hebt geen keus.’

Wederom kuste hij haar kruis uit een reflex. Ze lachte schamperend.

‘Kaarsen.’

‘Wat?’

‘Ik heb kaarsen gevonden.’

Op dat moment riep Frank hen vanaf het terras. Het eten was gaar voor de eerste ronde. Pollie stond op. Ze keek hem niet aan terwijl ze haar broek afklopte. Ze draaide zich om en liep richting de anderen. Hij bleef met gespreide armen liggen en wist dat alles anders zou worden.

Angst, angst, angst

Schiereiland · hoofdstuk 88

Het viel niet te ontkennen: nooit eerder in zijn leven had hij zo veel controle, zo veel invloed op de uitkomst der dingen gehad. En dat terwijl de dood gretig over zijn schouder meekeek. Eén verkeerde beslissing, één fout en Magere Hein legde een lange vinger in zijn nek. Het vreemde was dat dit niet eens het meest noemenswaardig was. Nimmer, nooit niet zag zijn leven er zó precies uit als hij het van tevoren bedacht had. Op één ding na. Iets drukte de hele dag door kloppend als een ontstoken kies al het andere naar de achtergrond. Het zat in zijn bloed, liftte mee door zijn aderen, sijpelde onder uit zijn maag en drong door tot alle uithoeken van zijn lichaam. Het verkleurde zijn blik, vergiftigde zijn slaap en draaide, als een konijnenfokker de misbaksels, elke mogelijkheid om te ontspannen de nek om. En hij had de zaakjes nog wel zo goed voor elkaar. Alle flessen water zaten vol. Het vullen wanneer het regende ging elke keer efficiënter, want de regen bleek goed te voorspellen. Zijn kamp was zeer georganiseerd. Zijn spullen waren in volgorde van belangrijkheid gesorteerd en gesitueerd. De positie van vuurplaats was minutieus uitgedacht, factoren als wind, drainage, rook, de opslag van brandhout en de bereikbaarheid daarvan hadden allemaal meegewogen. Droog hout op voorraad en nog genoeg te vinden. De hangmat hing, na een paar aanpassingen, in de juiste hoek om verfrist te worden door eventuele windvlagen en toch beschut genoeg om niet meteen nat te worden bij een wolkbreuk. De grond eronder was vrij van scherpe takken en stenen, zodat hij makkelijk en veilig op blote voeten uit bed kon stappen, ook als dat plotseling midden in de nacht zou moeten. Doordat het visnet van klamboe goed werkte – al drie dagen had hij er vis uitgehaald – werd de voedselreserve bestaande uit in plastic verpakte noedelspoepen niet aangesproken. Ook de zonnetent was elke dag verbeterd. Het T-shirt en de blouse waarmee die eerst was bekleed, waren vervangen door bladeren en die weer door nog dikkere en grotere bladeren die aan het uiteinde een scherpe punt hadden waarmee ze aan elkaar gevlochten konden worden. De locatie was nu ook optimaal: de hele dag schaduw, het kleine beetje wind bood verkoeling en er was goed uitzicht over zee. De dingen die eventueel acuut nodig waren, zaten in toegewezen broekzakken. Eindelijk bewees de afritsbroek dienst. De machete kon aan zijn riem bevestigd worden, maar hing nu aan een tentstok binnen handbereik. Eén fles water, degene van het dikste plastic en met de minste beschadigingen, ging overal mee naartoe. Als straks de zon voorbij de eerste bomen aan het uiteinde van het strand stond, kon hij het visnet controleren. Dan het vuur aansteken, de vis schoonmaken en roosteren boven het vuur, met die ene mooie puntstok. Dit had hij allemaal gedaan, beter, sneller en daadkrachtiger dan hij ooit voor zich had gezien toen hij dit plan ruim vijftien jaar geleden bedacht. In zijn wildste dromen was hij niet zo’n goede overlever geweest. Tot zijn verbazing bleken al die jaren fantaseren niet voor niets. Hij had het zich onbewust ingeprent zoals een pianist in de trein achteloos zijn vingers in de lucht boven zijn been de juiste toetsen liet beroeren. Toch was er geen trots, tevredenheid of op zijn minst enige voldoening. Geen enkele positieve beleving. Hij wist dat deze sensaties op zijn plaats zouden zijn, dat hij er zelfs recht op had. Tijd had hij immers genoeg om zich dat te bedenken. Veel te veel tijd. Vanaf dat zijn schaduw scherpe randen kreeg en korter dan hijzelf werd, totdat de zon achter de bomen begon te verdwijnen en de schaduwen weer vager werden, lag hij als een hond, achtergelaten op de achterbank van een auto, onder zijn zonnetent te hijgen. Tijdens deze lange uren was de hitte alles bepalend. De ruimte tussen hem en de rest van de wereld werd dikker en doffer. Ademen kostte moeite, elke teug moest bewust genomen worden. Als frituurvet met omgedraaide eigenschappen nam de dichtheid van de lucht toe naarmate de temperatuur steeg. Het werd troebel, moeilijk doorheen te kijken, drukte hem neer en kapselde hem in. Langzaam stolde hij mee. Het enige wat restte was wachten, buiten adem van het niets doen.

De eerste paar dagen had de spanning in zijn lichaam volkomen logisch geleken. Het had voor de hand gelegen om het te temmen met handelingen die de kans om te sterven kleiner maakten. Offers, zodat hij weer kon slapen en ontgiften. Maar wat hij ook uitvoerde, de spanning gierde door. Het enige moment dat het zich gedeisd hield en hij kon ademen, was wanneer Rob het eiland overstak om aan de andere kant te kijken hoe de zon onderging. Dan stond hij zichzelf iets toe wat geen nut had. Het strand aan die kant was korter en smaller, met in het midden een half verzonken dode boom in het zand. Kaal gebeten door het zout, krom als een skelet van een prehistorisch kolos. Hij klom op het karkas om leunend tegen een omhoogstekende tak naar de horizon te kijken.

Bijna elke avond doemden er in de verte wolken op, die op een afstand als planeten zo groot de lucht boven de zee vulden. De ondergaande zon kleurde ze als de melk in de thee. Thee in een wit glazen kopje waar zijn oma vroeger een scheutje melk in schonk. Hij weigerde te roeren, want in de dampende drank ontstond een universum waarin de melk in een eigen tijd door de lichtbruine thee rolde. Toen keek hij van bovenaf, hier op het strand zag hij vanaf de bodem van het kopje de wolken traag op hem afkomen. Het zonlicht verdween en de duisternis zette in om ruimte te geven aan de eindeloze Melkweg en de sterren miljoenen kilometers daarachter. Rob bekeek zichzelf van een afstand: eerst op het strand. Dan op het eiland omgeven door de zee. Dan de eilandengroep, heel Indonesië, de aarde in het koude vacuüm van de ruimte, dan het zonnestelsel en ergens daar kleiner dan de kleinste cel zat hij op die boom met zijn arm om een zijtak. Hiervoor deed de spanning eerbiedig een stap terug. Inhalig wachtte het op het moment dat Rob zijn blik van het heelal afwendde, om hem meteen weer onder zijn verstikkende mantel te nemen. In het echte leven in Nederland moesten er al sporen van het gif dat zijn aderen vervuilde zijn geweest. Hij dacht aan zijn kamer. Vanzelfsprekend was het niet gelukt om het spik en span achter te laten. Zou hij daar ooit nog liggen, op zijn bank? Of zou de huisbaas onder begeleiding van de politie zijn deur van het slot doen en de bruin leren Chesterfield te midden van een zee van blauwe enveloppen, melkpakken en pakjes shag aantreffen. Nou meneer, hij had ook niet veel om voor thuis te komen als ik zo eerlijk mag zijn. Vlak nadat het donker werd, kwamen de kokosnootkrabben aan zijn kant van het eiland de zee uit om op zoek te gaan naar eten. Het moment tussen dat ze het water uit kropen en in de beschutting van de struiken verdwenen, was het geschiktst om ze aan een scherpe stok te rijgen. Zo was jagen onderdeel van zijn bestaan geworden. Nog een toegewezen klus voor een periode in de dag. Weer een verplichting om zijn bestaan te verbeteren. En nog steeds nam de spanning niet af. Er moest toch iets zijn wat het terug zijn grot in zou drijven? Als het niet jagen was, wat dan? Landbouw misschien, stenen uit rotsen hakken en daar een landhuis van bouwen? Met airco, wifi en helemaal klimaat- neutraal. Hij zou het eiland hervalideren naar een resort met polsbandjes en een papagaaienshow bij het zwembad. Morgen zou hij daaraan beginnen, maar eerst nog een lange nacht in zijn hangmat, zich omwentelend in het vagevuur tussen slapen en waken.

De volgende dag leek het eiland hem van zich af te willen schroeien. Vijftig graden boven nul, het drinkwater leek stoom te worden voor het zijn maag bereikt had. In foetushouding wachtte hij tot het voorbij was.

Thuis was het makkelijker geweest de spanning te overstemmen met beloftes van vaste banen, hypotheken en pensioenen. Hier in dit uitgeklede, kaalgetrokken bestaan was er niets om zich achter te verschuilen en kon het woekeren en uitzaaien. De hitte kookte hem emotioneel droog. Al het vloeibare verdampte tot er op de bodem een residu overbleef: de essentie. Wanneer alles vervaagt, blijft er niets anders over dan de bron van alle angst. Wanneer de schellen zijn afgevallen en de schillen zijn gepeld, is er niets anders meer. Alleen het fundament waar al het andere op gebouwd is: Oerangst. En met dat hij het herkende was het, als Repelsteeltje die zijn naam heeft gehoord, verdwenen. Alle ballast viel weg. Rob haalde adem, rekte zich uit en steeg op, lichter dan lucht. De sterren en de Melkweg waren vlakbij, hij raakte ze zo aan als hij wilde. Euforie stroomde van alle kanten toe en vulde zijn lichaam. De kleuren die daarvoor verfletsten door het felle zonlicht, werden helder en vol. De geur van het woud was kruidig en prikkelend. Het zand tussen zijn tenen knetterde van plezier. Hij sprong op, stak zijn armen in de lucht en schreeuwde de hete lucht uit zijn longen. Hiervoor was hij naar de andere kant van de wereld gekomen. Niets deed er meer toe want dit was de bevrijding, het moment waarop hij al die tijd had gewacht. Alles leek te kloppen. Eindelijk! Van dit eiland ontsnappen was opeens niet onmogelijk meer. Vuur, hier hoorde een groot fik bij. Het was bijna donker en dan ging hij het grootste vuur van de wereld ontsteken. Al het hout ging erop, het maakte niet uit. Hij had zo weer nieuw gevonden, omdat hij alles zo goed voor elkaar had. Ja, nu kon hij wel tevreden en trots zijn. Het kostte hem geen enkele moeite om takken en stammen naar het strand te slepen. Voor hij het tot een brandstapel bouwde, hakte hij wat extra aanmaakhoutjes met zijn machete. Die trouwe vriend die hem nooit in de steek had gelaten. Hij gooide hem op, liet hem een salto maken en het handvat landde weer prachtig in zijn hand. Met soepele slagen kloofde hij snippers van een droge stam. De machete schoot door en boorde zijn punt diep in de wreef van Rob’s voet. Donkerrood bloed spoot uit de snee omhoog. Dikke stralen liepen over zijn voet, druppels regenden op het zand. Verbijsterd keek hij toe. De seconden tikten weg. Hij trok de eerstehulpdoos open met haast en focus, scande de inhoud van de verschillende steriel verpakte zakjes op gaas, verband en plakband. Alles wat hij niet nodig had liet hij uit zijn handen vallen. Op de grond ontstond al snel een mix van bloed en steriele verpakkingen. Alsof het de vloer van een eerste hulp was waar ternauwernood iemands leven was gered. Door de paniek heen deed het zijn hart dat tekeerging, opspringen van plezier. Wat een scène, wat echt en wat was hij doelgericht bezig!

Hij moest iets om zijn voet knopen om de wond dicht te drukken. Er was wel verband, maar alleen korte stukjes. Die drukte hij zo lang maar op de wond. Met de andere hand vond hij een vierkante lap, een mitella, die hij over het verband om zijn voet wikkelde.

Nee hij moest dit goed doen, stop. Eerst de wond schoonmaken en dan verband, anders ging het zeker ontsteken. Donker bloed, bijna paars gulpte nog steeds uit de wond. Schoon water erover en voor het eerst deed het pijn. Verband erover, nog meer verband. Nee, nu was het verband nat van het water. Dit verband weg, op de grond. Nieuw verband, waar was het gebleven? In een rondje hinkend op één voet speurde hij de grond af. Er was nog eén pakje: op de wond drukken, mitella er strak om heen binden en afplakken met tape, veel tape. Misschien te veel, zo kon het niet meer ademen. Nou dat zouden we dan wel weer zien, eerst moest het bloeden stoppen. Het verband leek te werken. Hij plofte neer op een boomstam en blies een keer goed uit. Allemachtig wat een blunder. Welk een arrogantie, hoe haalde hij het in zijn hoofd? Hij overzag het slagveld, heremietkrabbetje deden zich tegoed aan het bloed in het zand. Zijn bloed. Had hij daar nog genoeg van over? De huid op zijn arm leek lichter van kleur. Toen hij naar de fles water greep, stootte hij hem om. In een reflex om de fles overeind te houden, schoof hij languit op de grond. Wat een puinhoop. Met een halfvolle fles in zijn hand kroop hij naar zijn bed. Overeind komen ging nauwelijks. Dat hij in zijn hangmat viel was geluk, geen keuze. Meteen doemde Koert op in zijn gedachten, natuurlijk. Een heel slecht teken dat hij nu aan hem moest denken. Die vuile, manipulerende machtswellusteling. Nu mocht Koert, nee nu moest hij Rob komen halen. Tien dagen, tien dagen en zeven uren was hij al te laat. Waarschijnlijk hadden zijn volgelingen hem ook doorzien en hem zijn verdiende loon gegeven. Hij stelde zich Koert voor, naakt opgeknoopt aan zijn enkels, zijn armen slap naar beneden hangend, lijnen gestold bloed tot aan zijn vingertoppen, traag draaiend in de wind. Zijn voet klopte misselijkmakend mee met het beuken van zijn hart. Het verband hield niet, het zoog zich vol en begon te lekken met ritmische druppels. Hij keek er naar zonder angst, eigenlijk zonder iets.

↓  het hele manuscript als pdf
nu luisterend